(Fragment uit: Het zwijgen van de vossen)
 
Ik nam een van de boeken die rondslingerden – het ging over grote zeezoogdieren – en sloeg het op een willekeurige bladzijde open.
‘Hier staat dat het hart van een blauwe vinvis zo groot is als een kleine familieauto,’ las ik hardop voor. ‘Het slaat gemiddeld zo’n zes tot zeven keer per minuut en pompt met iedere hartslag honderden liters bloed door aders zo dik als rioolbuizen.’
‘Mooi is dat,’ zei Anna tevreden. Ze lag op haar rug, vlak naast me, met gesloten ogen. Ik zag hoe haar wimpers trilden. Haar handen waren nog rood van de sneeuw.
‘Wist je,’ zei ze, ‘dat alle zoogdieren hetzelfde aantal hartslagen hebben, ongeacht hoe oud ze kunnen worden. Het hart van een olifant slaat hetzelfde aantal keren als het hart van een muis, een muis gebruikt ze alleen eerder op.’
Ik lag vlak bij haar, haar arm raakte de mijne.
‘Als je kon kiezen, wat voor soort dier zou je dan willen zijn?’ vroeg ik.
‘Een beer,’ zei ze.
‘Waarom een beer?’
Ze dacht na, beet op haar onderlip.
‘Binnen in een beer is het veilig. Je hobbelt veilig door het bos, eet vers fruit en biggetjes, en in de winter lekker uitrusten voor de kachel.’
Ze lachte. Ik schoof dichter naar haar toe en legde mijn hoofd op haar borst, voelde haar hartslag. Ik was een indiaan die zijn hoofd op de rails legde. Kadoekadoem, kadoekadoem. Er was een trein op komst.
‘Wat hoor je?’ vroeg ze.
‘Ik hoor niks,’ zei ik om mijn hoofd langer op haar borst te kunnen houden. De stof van haar trui rees en daalde. Ze zei niets en ik bleef liggen luisteren. Vanwaar ik lag, kon ik zien hoe de sneeuw zich vastzette op de buitenkant van de ruiten. Ik probeerde mijn eigen adem af te stemmen op Anna’s ademhaling. Kadoekadoem, kadoekadoem. Ze ademde rustig in en uit terwijl haar hart ergens naar op weg was.
 
 
_________________________________________________________________________________
 
 
 
uit: ‘Voor wie naakt is en slaapt’ (gedichten)
 
 
        De droom van Abel    
 
 
Vannacht K.'s hoofd bezocht.
Ik was de enige gast en niet welkom.
Ook K. kwam niet opdagen.
Op tafel lag een briefje waarop stond
geschreven:
" Gij zult geen anderen liefhebben."
Een wreed gebod of een wrede profetie ?
Wie in de steek gelaten is meent dat
alle post aan hem gericht is.
Op een dwaas en al te realistisch
schilderij waren twee schakers te zien,
spelend om een mes.
 
 
 
_____________
 
 
 
     Voor wie naakt is en slaapt
 
 
Daar stond ik, klokpropeller
aangedreven, in het groenhuis
van mijn jeugd-
 
Tussen de citrusgaarden
en stille steden, de zachte
regens en dwarrelwinden-
 
De exotische planten en
gedachten, de moleculen
van de dood, de ijle
dromen van elders-
 
Tussen de wijnvaten van
de ouderdom, gistend
onder een te strak
aangedraaid deksel-
 
 
Het is van hieruit dat
ik je probeer te wekken.
Slaap niet weer in.
Het raam dat openwaait
ben ik.
 
 
 
____________
 
 
 
 
      Fabel
 
 
Griffioen die met mijn moeder sliep :
je bent een lichtvlek geworden ,
zwenkend over het plafond van
mijn jongenskamer -
 
   Wie er een gewoonte van maakt
    in een bos thuis te komen zou
    zich moeten aanwennen om
    bij thuiskomst zijn kinderen te
    inspecteren ;
                          Slapen ze wel echt ?
                          Zijn hun klauwen al volgroeid ?
 
 
Als je thuiskomt
schrik ik nooit wakker.
Ik sliep niet maar oefende
mijn geheugen , voor later.
 
 
 
 
_______________
 
 
 
 
        Epitaaf        
 
 
Toch ben ik benieuwd
Hoe de wereld zal bestaan
Als ik haar niet langer bezie
 
Ze van mijn blik verlost is en
Eindelijk weer zichzelf zal zijn
 
Kijk, zó zou ik haar willen zien.
 
Daar vliegt al het eerste vogeltje
Van mijn blik ontdaan
In het luchtledige zogezegd
 
Hij lijkt verdomd natuurgetrouw
Op een doodgewoon vogeltje
 
Het zou blasfemie zijn
Daar meer van te willen maken
Maar wat laat zo'n diertje hier
Een kans aan zich voorbij gaan
Om een smakelijk gerecht
 
Een droge, harde tafel
 
Of een goed gedicht te zijn
 
 
 
 
_______________
 
 
        Endlösung
 
 
Voor altijd vergaderen ze daar,
de vijftien, in de Berlijnse villa
Am Großen Wannsee.
 
Regende het? Sneeuwde het?
 
In het ketelhok van de hel
overleggen ze voor eeuwig
 
op welke wijze miljoenen
mannen, vrouwen en kinderen
te verdonkeremanen.
 
En zelfs de duivel, die ze tracht te
onderbreken voor versnaperingen
 
-koekjes en thee- stuit op hun
ijzingwekkende zakelijkheid,
 
wordt door hun boekhoudkundige
moordzucht gegrepen
 
en fluistert –ondertussen gedienstig
thee schenkend- voor zich uit:
 
Als God nú nog bestaat
heeft Hij het niet begrepen.
 
 
 
 
 
 
______________________________________________________________________________________
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Teksten